Created by CdWDesign

 

  Terug
Home
Nieuws
Integrale Yoga
Cursus info
Literatuur
Feiten
Acupunctuur
Meditatie
Asana's
Contact
Gastenboek
Route
Links
Liefde is ?

Ademhalingsproces

Inademing.

De inademing (inspiratie) komt tot stand door vergroting van het volume van de borstholte.

Het thoraxvolume kan vergroot worden door :

- het diafragma af te platten : wanneer het spiergedeelte van het

middenrif contraheert (samentrekt) wordt de diafragmakoepel

afgeplat. De afplatting van het diafragma leidt ertoe dat de

pleurasinus (nissen gevormd door het ribben borstvlies) wijder wordt,

waardoor het longweefsel zich erin kan ontplooien. Bij percussie

(bekloppen) van de recessus diafragmaticus (groeve van het middenrif)

tijdens inademing valt op dat de toon geleidelijk aan doffer, holler

klinkt. De long schuift in de vrijkomende ruimte tussen diafragma

en borstwand; de lever wordt naar beneden geduwd. De

volumevergroting van de borstholte door de diafragma-afplatting

gaat gepaard met een dreigende volume verkleining van de

buikholte. Aangezien in een afgesloten ruimte (zoals de buikholte)

geldt dat het product van volume (V) en Druk (P) steeds constant

© is (formule P x V = c), zou in de buikholte de druk toenemen.

Meestal zien we echter dat de buikwand meegeeft onder invloed

van deze kracht; het buikvolume blijft min of meer gelijk.

- het naar ventraal (voorwaardse richting; naar voren) bewegen van de

buikwand tijdens inademing heeft ertoe geleid dat men dit type

ademhaling buikademhaling genoemd heeft. De benaming

diafragma-ademhaling is correcter.

- de ribben te heffen : in rust lopen de ribben schuin naar beneden.

Als de ribben meer horizontaal gebracht worden, worden de

sagittale (pijlvormig, in de richting van de pijl, d.w.z. voor-, achterwaards) en

transversale (overdwars, dwarsliggend) doorsneden van de thoraxholte

groter en daarmee het volume (volume = lengte x breedte x hoogte).

Het heffen van de ribben gebeurt door de buitenste

tussenribspieren. Bij rustige ademhaling is vrijwel alleen sprake

van diafragma-ademhaling. Bij een inspanning wordt deze steeds

meer gecombineerd met een borstademhaling. Wanneer er extra

diep ingeademd moet worden, kan bij de ribheffing

geholpen worden door de hulpademhalingsspieren : hals- en

schoudergordelspieren.

Doordat de pleuris parietalis (ribbenborstvlies, het gedeelte van het borstvlies dat tegen de ribben aanlegt) vergroeid is aan de thoraxwand en het diafragma, beweegt dit vlies mee met de borstholtevergroting. De intrapleurale druk neemt verder af ten opzichte van de atmosferische druk en daardoor wordt de pleuris parietalis meegezogen. De pleura visceralis (longvlies) op zijn beurt is vergroeid met het elastisch longweefsel. Dit geeft mee met de rek en wordt dus opgetrokken.

Het longvolume (= volume van alle longblaasjes) wordt groter. Dit zou een drukdaling in de long tot gevolg hebben (P x V = c), ware het niet dat deze niet gesloten is : de dreigende drukdaling wordt ‘voorkomen’ door toestroming van buitenlucht via de openstaande luchtwegen.

Inademing is dus een actief proces (kost energie) : door spieractiviteit wordt een geleidelijke vergroting van het longvolume veroorzaakt waarbij de grotere luchtdruk steeds zorgt voor ‘opvulling’ van de dreigende drukdaling in de longblaasjes.

Uitademing.

De uitademing (expiratie) komt tot stand door verkleining van het borstholtevolume. Als de spieren die de inademing mogelijk gemaakt hebben ontspannen, zakken de ribben. De diafragmakoepel neemt zijn rustpositie in onder invloed van de druk in de buikholte. Het thoraxvolume verkleint; door de elasticiteit van het longweefsel veren de longen vanuit hun extra gerekte toestand terug. Het longvolume wordt geleidelijk kleiner; de druk in de longblaasjes is daardoor steeds iets hoger dan de druk van de buitenlucht, waardoor de lucht uit de longen via de openstaande luchtwegen naar buiten stroomt.

Uitademing is dus in principe een passief proces (kost geen energie) : de zwaartekracht zorgt voor de daling van de geheven ribben en het uitgerekte elastische longweefsel veert terug.

Men kan geforceerd (actief) uitademen door contractie van de binnenste tussenribspieren. Hierdoor wordt de ribdaling versterkt. Bovendien kan men door aanspanning van de buikspieren (P x V = c) de terugvering van het diafragma versterken. Dit geforceerd uitademen ziet men bijvoorbeeld bij duurlopers, bij zangers en bespelers van blaasinstrumenten.

Longvlies.

Het longvlies (pleura) behoort tot de weivliezen. Het ‘binnenblad’ heet pleura visceralis; het ‘buitenblad’ heet pleura parietalis. De Nederlandse benamingen voor de bladen werken verwarring in de hand. Voor de pleura visceralis wordt de term longvlies gebruikt en voor de pleura parietalis : borstvlies.

Functionele residuale capaciteit en de gasspanning.

Bij ademhaling in rust worden de longen noch maximaal gevuld, noch maximaal geledigd. Zelfs na maximale uitademing blijft nog lucht in de longen achter. De lucht die na uitademing in de longen achterblijft is wel onderhevig aan voortdurende gasuitwisseling en ‘verslechtert’ dus voortdurend.

De ingeademde ‘verse’ lucht wordt dus steeds gemengd met de ‘oude’ lucht van de functionele residuale capaciteit. Deze vermenging heeft tot gevolg dat de gasspanning in de alveolen (PA) minder sterk wisselen dan het geval zou zijn zonder functionele residuale capaciteit (PAO2 = 100 mmHg (13,35 kPa) en PACO2 = 40 mmHg (5,35 Kpa)).

Het residu-volume wordt veroorzaakt door het feit dat de longen in uitgerekte toestand zijn ‘opgehangen’ in de thorax. Wanneer de intrapleurale druk zou wegvallen, klapt de long samen ten gevolge van de elasticiteit van het weefsel en wordt het residu-volume uit de longen gedreven. Een relatief klein gedeelte van het residu-volume blijft ook dan nog achter : het is het volume in de (openstaande) bronchiën, luchtpijp en strottenhoofd.

Dode ruimte.

Een gedeelte van het totale longvolume wordt benoemd als dode ruimte. Onder dode ruimte verstaat men de ruimte waarin géén gaswisseling plaatsvindt. Dit ontbreken van gasstofwisseling kan een anatomische of een fysiologische oorzaak hebben.

De anatomische dode ruimte is de ruimte in de luchtwegen die niet bekleed is met plaatepitheel, te weten : neus- of mondholte (al naar gelang de gevolgde weg), keelholte, strottenhoofd, luchtpijp, bronchiën en bronchiolen. Het volume van de anatomische dode ruimte bedraagt ongeveer 150 ml.

De fysiologisch dode ruimte is de ruimte waar zich wel plaatepitheel bevindt maar waar de capilairnetwerken (tijdelijk) niet doorbloed zijn. In rust is het longweefsel in de longtoppen niet ontplooid en niet doorbloed.

De fysiologisch dode ruimte representeert een reserve.

De anatomische dode ruimte zorgt ervoor (net als de functionele residuale capaciteit) dat de gasspanningen in de alveolen geen sterke schommelingen ondergaan. Na uitademing zal de anatomische dode ruimte immers ‘vervuilde’ alveolaire lucht bevatten. Bij inademing wordt deze ‘vervuilde’ lucht vermengd met ‘verse’. Het mengsel komt in de alveolen.

Samenvatting.

- Het ademhalingsstelsel staat ten dienste van de gaswisseling,

maar speelt ook een rol bij de warmteafgifte, bij de uitschijding

van water en bij ons uitdrukkingsvermogen.

- De luchtwegen bestaan uit : neus- en mondholte, keelholte,

strottenhoofd, luchtpijp, bronchiën en longblaasjes.

- De linkerlong bestaat uit 2 lobben met 8 segmenten, de

rechterlong bestaat uit 3 lobben met 10 segmenten.

- De longen zijn omgeven door een dubbelwandig vlies : het

longvlies en het borstvlies. Tussen long- en borstvlies bevindt zich

de pleuraleholte, die luchtdicht is en gevuld met sereus vocht.

-We onderscheiden de borst- en de buikademhaling.

-De ademvolumina, gemeten door een spirograaf, geven bepaalde

informatie over de longfunctie.

-In de longblaasjes vindt voortdurend gaswisseling plaats :

kooldioxide diffundeert vanuit het bloed naar de longblaasjes, en

zuurstof vanuit de longblaasjes naar het bloed.

-Het ademcentrum reguleert de ademhaling; het bevindt zich in

het verlengde merg en in de pons van de hersenstam.

Alveolen : longblaasjes.

Tekst overgenomen uit :

Inleiding in de Anatomie/Fysiologie van de mens, tweede druk, vijfde oplage 1997.

Module 2 hoofdstuk 4, blz. 220-225.

Drs Ludo Grégoire.

Uitgever : ThiemeMeulenhoff

ISBN : 9023836197.